Stichting Vrienden van de schilder Martin Monnickendam
De heer R.J.C. van Helden van de stichting en mevr. Judith van Gent, hoofd collecties, van het Amsterdams Museum bij de overhandiging van het schilderspalet van Martin Monnickendam in de Amstelkerk in Amsterdam
Het Palet van Martin Monnickendam
Door Erik Spaans.

Op 17 oktober 2015 vond in de Amstelkerk de overdracht plaats van het palet dat Martin Monnickendam bij het schilderen gebruikte. Het palet heeft een forse omvang, zoals min of meer gebruikelijk was in de eerste helft van de twintigste eeuw. Bij het gat waar de kunstenaar zijn duim doorheen stak, bevindt zich een diepe uitsparing die het mogelijk maakte om tijdens het schilderen een stuk of wat kwasten of een schilderstok (‘mahlstick’) vast te houden met zijn linkerhand. Dat Monnickendam dat ook daadwerkelijk zo gedaan heeft, is goed te zien op een foto die omstreeks 1934 in zijn atelier genomen werd.

Martin Monnickendam in zijn atelier. Foto omstreeks 1934.
Bij de vormgeving is er rekening mee gehouden dat de schilder zijn palet met de linkerarm makkelijk tegen het lichaam kan houden. Palet is een verkleinwoord van het Franse ‘pale’ dat zoiets als spaan of roeispaan betekent. Paletten hebben er niet altijd zo uitgezien als het exemplaar van Monnickendam. In vroeger eeuwen waren ze vooral aanmerkelijk kleiner. Middeleeuwse kunstenaars maakten nog gebruik van rechthoekige plankjes - al dan niet voorzien van een handvat. In de loop van de zestiende eeuw werden kleine aanpassingen gedaan om het palet beter en ‘gebruiksvriendelijker’ te maken. Uit deze tijd dateert de innovatie om een gat in het hout te maken waar de schilder zijn duim doorheen kon steken. Daarnaast maakten rechthoekige plankjes steeds vaker plaats voor min of meer ovalen paneeltjes. Voorafgaand aan het gebruik diende het hout van een palet langdurig met ongekookte lijnolie te worden ingesmeerd net zo lang tot het hout verzadigd was. Daarmee werd een vernislaag opgebouwd die voorkwam dat de olieverf door het hout zou worden opgezogen.

De bescheiden omvang van zestiende- en zeventiende- eeuwse paletten hing samen met de (relatief) geringe hoeveelheid verf die toenmalige kunstenaars wensten te gebruiken. Bij het opmaken van een palet was het immers zaak zo economisch mogelijk te werk te gaan. Zeventiende eeuwse schilders gaven er de voorkeur aan hun palet samen te stellen met kleuren die specifiek waren afgestemd op de partijen van het schilderij waar ze op dat moment aan werkten. Veel grondstoffen voor verf waren kostbaar en dus werd uitsluitend verf aangemaakt die op de betreffende werkdag nodig was. Het werd als nodeloze verspilling van arbeid en - vooral - kostbare pigmenten gezien om alle kleuren op het palet aan te brengen, ook al omdat de verf na verloop van tijd te droog werd om mee te werken. Het “opmaken” van een palet werd veelal door leerlingen of assistenten gedaan en vormde een langdurig proces van wrijven, malen en mengen.

Dat veranderde in de negentiende eeuw door een uitvinding van de Amerikaanse kunstenaar John G. Rand (1801 – 1873). Die kwam omstreeks 1840 als eerste op het briljante idee om olieverf te bewaren in metalen tubes die met een kurkje afgesloten konden worden. Deze vondst maakte het opmaken van een palet tot een aanmerkelijk eenvoudiger klus. De kunstenaar hoefde de benodigde kleuren alleen nog maar uit de betreffende tubes te knijpen. De kant en klare verf was ook nog eens goedkoper. Dat had zijn weerslag op de paletten die werden gebruikt – die werden steeds groter en stelden de kunstenaar aldus in staat een groot scala aan kleuren te gebruiken. De verf werd aan de bovenzijde van het paneel aangebracht, waarna de onderliggende ruimte gebruikt kon worden om de kleuren met elkaar te vermengen. Aan het palet konden één of meer kleine bakjes bevestigd worden met terpentijn of water voor het verdunnen van de verf.

Op het palet van Eugène Delacroix in het aan hem gewijde museum in Parijs is te zien hoe de schilder zo’n 65 verschillende kleuren in dunne streepjes op zijn palet heeft aangebracht in een volgorde waarin ogenschijnlijk geen enkele logica te ontdekken valt, maar waar de kunstenaar goed over nagedacht moet hebben. Zijn tijdgenoot Charles Baudelaire schreef “Ik heb nooit een palet gezien dat zo nauwgezet was opgemaakt als dat van Delacroix. Het deed me denken aan een zorgvuldig samengesteld boeket bloemen.” De Fransman René Pilot heeft er zelfs een heel boek (‘Les Palettes de Delacroix’, 1930) over geschreven. Daarin is ook de anekdote te vinden dat Delacroix als hij ziek was niettemin zijn schildersmaterialen naar zijn bed liet brengen waarna hij de dag doorbracht met het opmaken van zijn palet.

Het palet van Eugéne Delacroix
In zijn vermaarde ‘Schilderboek’ (1604) hamerde schilder en theoreticus Karel van Mander op het belang van een schoon palet. Schilders deden er verstandig aan hun palet regelmatig te ontdoen van aangekoekte verfresten. Dat gebeurde met behulp van een paletmes waarmee de verf van het hout werd geschraapt. Het was daarbij zaak voorzichtig te werk te gaan en de vernislaag niet te beschadigen. De laatste resten verf werden verwijderd met behulp van een beetje terpentine en een oude lap. Niet elke kunstenaar achtte dat noodzakelijk. Het palet van Paul Gauguin dat bewaard is gebleven maakt duidelijk dat de kunstenaar niet de moeite nam zijn palet schoon te maken en zijn verf simpelweg op de opgedroogde restanten van voorgaande sessies aanbracht.