Stichting Vrienden van de schilder Martin Monnickendam
Afbraak van bouwvallige huizen
Verdwijnend Amsterdam
De Eerste Wereldoorlog is uitgebroken en de internationale kunsthandel ligt praktisch stil. Er wordt in die jaren in Nederland goed verdiend en er is dus geld voor het kopen van kunst, Amsterdam bloeit en voert vele projecten uit, zoals de bouw van de Industriële Club aan de Dam, midden in de oude stad en de verbreding van de Vijzelstraat. Veel wordt er gesloopt, vele schilderachtige stadsgezichten verdwijnen.
Dan rijpt bij Houthakker een plan: hij vraagt Monnickendam om het verdwijnende oud-Amsterdam en andere markante plekjes vast te leggen voor de verkoop.
Houthakker weet hoe je zo iets voor zijn verwende klanten moet aanpakken: hij vraagt de journalist J.H. Rössing om een boekje te schrijven over dat verdwijnende oudAmsterdam, natuurlijk voorzien van afbeeldingen van de door Monnickendam gemaakte pastels. Monnickendam maakt een serie werkelijk schitterende pastels.

Maria Viola is journaliste bij Het Algemeen Handelsblad. Houthakker schakelt haar in en het is begin december 1916 wanneer hij opent. Men kan geen betere indruk krijgen van het succes van de tentoonstelling dan door Maria Viola aan het woord te laten: In de twee kleine, met oude meubeltjes genoegelijk aangekleede vertrekjes, waarin Bernard Houthakker oude kunst verkoopt, wacht den bezoeker thans de verrassing van een collectie moderne pastels: afbeeldingen van verdwijnend of tot verdwijnen opgeschreven Amsterdam.
Vol leven, vol rijke, pittige bewegelijkheid vertoont zich op de teekeningen van Martin Monnickendam dit te-doode-veroordeelde stadsschoon; 't lijkt of de kunstenaar, in de gouden zon van den scheidenden zomer, het afscheid van Amsterdams schilderachtigst verleden tot een feest heeft willen maken van fonkelkleur en bloeiend licht, door geen schijn van weemoed te dooden.

(Maria Viola)

Er zijn eenenvijftig pastels te koop. De prijzen variëren van f 80,- tot f 120,-. De tentoonstelling is een groot succes, niet alleen aan publiciteit: er wordt zeer goed verkocht (zo zelfs dat Houthakker de prijs van de goedkoopste pastels snel optrekt naar f 100,- ). Van Eeghen koopt. De Nederlandsche Bank, Vinke, Baanders, De Busssy, Menko kopen. De werken zijn prachtig ingelijst en voorzien van een gouden passe-partout (dat wel f 10,- extra kost!). Er worden tweeëntwintig werken verkocht voor in totaal f 2.135,- (ruim € 15.000,- omgerekend naar onze tijd). De vrolijke werken, één en al beweeglijkheid, met vaart getekend en knallend van kleur, slaan aan. Monnickendam is een nauwkeurig tekenaar en topografisch klopt het allemaal. Maar het is de kleur die zo opvalt en dan met name het rood. Plasschaert spreekt zelfs over een eigenaardig rood.

Houthakker brengt de tentoonstelling naar Haarlem, in januari 1917 en besluit het succes een jaar later te herhalen, dan in Arti, met deze keer als titel: Amsterdamse Stadsgezichten. Er zijn vijfenzeventig pastels te koop en de catalogus is voorzien van een kleurenafbeelding. De prijzen zijn bijna verdubbeld: van f 150,- tot f 300,-. Het weerhoudt de kopers niet: de opbrengst f 4.730,-. Simon Maris, Goudstikker, Klatte behoren tot de kopers. Ook nu is de pers lovend.

Houthakker betaalt goed: Monnickendam ontvangt f 50,- per pastel, ongeacht of deze verkocht wordt. Houthakker neemt het risico en dus zal hij er bij de eerste tentoonstelling nog niet veel aan verdiend hebben. De sfeer is natuurlijk goed en zoals gebruikelijk waren de omgangsyormen meer dan beleefd:
(De brief is gedateerd 9 november 1916.)

Waarde Monnickendam,

Ik heb nu eenige teekeningen in de passe-partouts en twee ervan met lettertjes laten maken. Dit laatste lijkt mij bijna onvermijdelijk.
Kunt U mij morgen het genoegen verschaffen van Uw gezelschap bij de lunch. Ik zal tot een uur op U wachten.

Met beleefde groeten voor mevrouw,
Bernard Houthakker.


Opnieuw 'exporteert' Houthakker zijn gouden formule: in Rotterdam en Den Haag (in samenwerking met Kunstzaal Kleykamp) vinden gelijke tentoonstellingen plaats. Rotterdam is slordig en tot grote woede van Houthakker is er waterschade. Hij hoeft de pastels niet terug en krijgt er een vergoeding voor.
Na de oorlog gaat Houthakker weer gewoon door met zijn kunsthandel en de vriendschap met Monnickendam blijft en zo organiseert Houthakker in 1922 en 1923 nog twee tentoonstellingen van werk van Monnickendam (schetsen van de Veluwe en pastels uit Rothenburg) en in 1934 bij Monnickendams zestigste verjaardag een grote yerkooptentoonstelling. Ook is de kunsthandelaar actief lid van de comités voor de grote tentoonstelling in 1924 en het feest in 1934. Monnickendam schildert Houthakker en later zijn echtgenote.

Wanneer de oude mevrouw Houthakker zeventig wordt, is de menukaart voor het diner voorzien van een portret van haar, van de hand van Monnickendam. Het zijn goede jaren voor Monnickendam. De onderscheidingen leveren hem ook financieel successen op. In 1916 verkoopt hij een groot stilleven voor f 2.250,-. Bij de kritieken wordt hij nimmer meer overgeslagen. Wanneer er in 1920 twee tentoonstellingen in Engeland worden gehouden, wordt zijn werk in de catalogus afgebeeld. Kortom, hij is een succesvol schilder geworden. Er is een rel over de toestand van de oude meesters in het Rijksmusem en Monnickendam wordt, wanneer Arti hem dat vraagt, lid van de commissie 'tot onderzoek van den toestand waarin de meesterwerken van Oude Nederlandsche Schilderkunst, welke bewaard worden in het Rijksmuseum, zich bevinden', samen met George Breitner, Eduard Karsen, C.G. Hooft en Carl Dake.

De Eerste Wereldoorlog is voorbij en Europa begint met zijn opbouw. In Nederland heerst nog steeds welvaart en er wordt verkocht: er is ruimte in het budget van Monnickendam voor reizen naar het buitenland. Duitsland is zijn eerste keus en hij maakt daar talloze prachtige pastels. Enkele daarvan werkt hij thuis uit tot grote doeken.